DimLux Maxi Controller: aansluiten en instellen
Welke Maxi Controller, software en kabel horen bij jouw DimLux-lamp? Bereid de aansluiting voor en controleer lichtschema, dimmen en sensoren per generatie.

Identificeer eerst controller en armaturen
Noteer het exacte Maxi Controller-model, de softwareversie en de volledige namen van de armaturen. EVO 1.2 en Datalog-uitvoeringen mogen niet zonder controle als dezelfde controller worden behandeld. De combinatie van apparaten bepaalt de aansluiting en beschikbare functies.
Maak een eenvoudig overzicht van de gewenste functies. Alleen een lichtschema vraagt om een andere combinatie dan verlichting met temperatuurregeling, bladmeting en aanvullende klimaatapparatuur.
Stem controller en armatuurgeneratie op elkaar af
Oudere en nieuwere DimLux-systemen gebruiken verschillende aansluitingen. Controleer welke uitgang, communicatievorm en externe regelstand bij jouw combinatie horen. Een poortnaam uit een ouder systeem geldt niet automatisch voor iedere Xplore of Xtreme.
Voor de oudere Xplore 730W/730W 9X-combinatie met Maxi Controller is software 5.0.10 of nieuwer nodig. Controleer de softwareversie vóór het aansluiten en laat een oudere controller zo nodig bijwerken. Deze eis hoort bij die specifieke combinatie en is geen universele regel voor alle DimLux-generaties.
Communicatiekabel is niet hetzelfde als netwerkkabel
Bij de oudere Xplore 730W/730W 9X-combinatie met Maxi Controller hoort communicatiekabel 2-955. Stem het onderdeel af op de controller- en lampgeneratie. Gebruik geen willekeurige kabel alleen omdat de stekker past.
Stekkers kunnen op elkaar lijken terwijl de aansluitfunctie verschilt. Gebruik daarom het aangegeven kabeltype en controleer de route van controller naar het eerste armatuur en vervolgens tussen de armaturen. De controllercommunicatie vervangt de eigen stroomvoorziening van een lamp niet.
Lichtschema en dimmen stap voor stap controleren
Leg controller- en armatuurmodellen, softwareversie en kabeltype vast.
Controleer de kabelroute en kies de externe regelstand die bij de combinatie hoort.
Selecteer het juiste armatuurtype in de controller.
Controleer klok, lichtperiode en gewenste uitgangswaarde.
Test de aansturing en controleer of het armatuur op een wijziging reageert.
Verander één instelling tegelijk en noteer het resultaat. Reageert een lamp niet, verhoog dan niet steeds het ingestelde vermogen. Controleer eerst modus, kabelroute, software en het geselecteerde armatuurtype.
Voeg sensoren toe voor de functie die je nodig hebt
Een luchttemperatuursensor ondersteunt temperatuurafhankelijke lichtregeling. Een planttemperatuurcamera meet het bladoppervlak. Voor de beschreven VPD-weergave zijn daarnaast de RH-meting en luchttemperatuur nodig. De aanwezigheid van een controller betekent niet dat al die sensoren zijn meegeleverd.
Controleer ook de uitbreidingshardware wanneer je een ventilator, verwarming of bevochtiging wilt aansturen. Een sensor meet een waarde; het schakelen van aangesloten apparatuur vraagt om een passende combinatie.
Leg je uiteindelijke opstelling vast
Bewaar modelnamen, softwareversie, kabelartikelen en gekozen instellingen bij elkaar. Maak een foto van de aansluitingen nadat de werking is gecontroleerd. Dat helpt bij uitbreiding en bij een adviesvraag.
Geef bij vragen altijd door welke lampgeneratie je gebruikt en welke functie niet reageert. Daarmee kan een passend aansluitschema worden gekozen in plaats van een algemeen schema dat mogelijk bij een andere generatie hoort.

